Ik werd laatst wakker met de zin: "De maan zei 'ja' ".
'Dat moet ik opschrijven', was mijn eerste gedachte.
Waar ze 'ja' op zei en wat er verder speelde, was weg; alleen die zin was er.
Die was belangrijk.
Beelden van een droom ervoor kwamen wel, over lange rechthoekige tafels in een ruimte met gedempt licht. We zouden 'water ervaren', het was een soort experiment. Ik had een bepaalde rol want ik kreeg drie witte ballonnen, aan elkaar vastgemaakt, in mijn hand, net als een paar anderen in de zaal.
Al snel voelde ik me wegzakken in een soort slaap en mijn enige vraag was: is het de bedoeling dat ik me hieraan overgeef of moet ik dit juist weerstaan?
Of komt het misschien door de ballonnen in mijn hand en hebben de anderen het niet?
Een medewerker die naast me aan de lange tafel zat, ontweek mijn vragende blik naar hem (ik kon al niet meer praten door de slaperigheid), ik moest het zelf doen, vechtend tegen een gevoel van bewusteloosheid.
In diezelfde droom was het op een gegeven moment 'pauze', en mensen liepen weg uit de zaal. Ik zocht mijn schoenen, kwam een vriend tegen en we spraken (in mijn droom) over de ervaring.
Wat een gelaagdheid en wat een vragen roept dit op.
Er zijn zieners geweest die hebben kunnen schouwen wat er tijdens de slaap gebeurt, waar je heengaat en hoe het komt dat je weer uitgerust wakker wordt en aan de dag kunt beginnen.
Dat is een hele reis die ze beschrijven, langs zon, maan en planeten.
Misschien was ik wel langs de maan gekomen en had ik haar 'gehoord'.
Wat weten we toch nog weinig van die onbewuste staat.
Onze dromen blijken verschillende functies te hebben: verwerken van de ervaringen van overdag, boodschappen over waar je staat en over je keuzes, vaak in overdreven hilarische, humoristische of angstaanjagende beelden vervat, en soms voorspellend.
En je mag zelf het onderscheid maken.
En jezelf en de droomfiguren bevragen.
Vroeger waren er droomduiders.
Dat was een beroep, een belangrijke functie.
Bij de Indianen werd er goed geluisterd naar de dromen van de wijze vrouwen, want die bevatten tekenen voor de stam hoe te handelen.
Jozef is er 'beroemd' door geworden.
Het vraagt aandacht en tijd: vragen stellen en je openen voor mogelijke antwoorden, niets uitsluiten.
Ik leef deze dagen met de vraag: Waar zei de maan 'ja' tegen?
En wie weet, misschien komt op een dag, zoals Rilke zo mooi heeft verwoord, het antwoord.
"Leef nu
de vragen. Misschien leef je dan, langzamerhand, zonder het te merken, het
antwoord binnen."
En, hoe is het met jouw dromen?
Schrijf je ze weleens op?
Je kunt een ongekende schat aan informatie ontdekken.
dinsdag 21 februari 2017
dinsdag 24 januari 2017
Den Haag wordt rijk met twee labyrinten
Twee labyrinten in Den
Haag!!
Mijn eerste labyrint liep
ik bij volle maan op een plein in Amsterdam, en het voelde als thuiskomen. Ik
werd heel blij al wist ik niet de reden ervan. Herinnering? Herkenning?
Sindsdien heeft dit oeroude symbool me niet meer losgelaten.
Ik ging naar Chartres,
waar ik het 11-gangen labyrint ontdekte; ook daar werd ik diep door aangeraakt.
Ieder jaar bezocht ik de kathedraal op een vrijdag om het labyrint te lopen.
Toen ik bij één van die
bezoeken in het centrum van het labyrint stond, hoorde ik binnen in me een stem
die zei: 'Breng het labyrint de wereld in'.
Het voelde als een
opdracht, een zetje ook, alsof ik nog even toestemming nodig had voordat
ik er vol voor durfde te gaan. En dat ben ik gaan doen.
Ik heb het labyrint onderdeel
van mijn rituele werk gemaakt, maak ze vaak op het strand, met een stok, met
linten, met rozen, met lichtjes en ben in al die jaren meer en meer overtuigd
geraakt van de verstrekkende werking van dit eeuwenoude symbool.
Mensen geven aan dat ze zichzelf
ervaren, dat ze rustig worden, dat ze iets achter zich hebben gelaten na de
loop, dat ze harmonie voelen, dat ze zich lichter voelen, evenwichtiger,
vrijer, bewuster.
Al jarenlang bied ik een
labyrintloop aan op de dag van de wereldvrede om voor de vrede te lopen, aanvankelijk
op het strand, later in de Paleistuinen. En zo ontstond de wens om een
permanent labyrint te krijgen op deze plek. Ik ben in gesprek gegaan met de
gemeente en na anderhalf jaar is er groen licht.
Stel je voor: in een parkje in het centrum van Den Haag, waar mensen graag komen: buurtbewoners, mensen met kinderen, expats en toeristen, komt een permanent klassiek labyrint te liggen dat door iedereen gelopen kan worden.
- een plek om rust in jezelf te vinden te midden van alle hectiek,
- een plek waar je in de
lunchpauze even tot bezinning kan komen,
- een plek waar je op zoek
kunt naar antwoorden op levensvragen,
- een plek buiten waar je
met collega’s rond een thema dat op het werk speelt, samenkomt,
- een plek waar kinderen een
weg naar hun eigen centrum kunnen lopen of huppelen,
- een plek die aantrekkelijk
oogt door de mooie ronde vorm.
In het eerste gesprek dat we hadden anderhalf jaar
geleden, was de contactpersoon bij de gemeente zo enthousiast door mijn verhaal
over het labyrint, dat ze voorstelde ook een aanvraag in te dienen voor een
labyrint in het wijkpark Kortenbos.
En ook daar is groen licht voor gegeven: op die
plek komt een labyrint naar Chartres model
Zo wordt Den Haag, stad van Recht en Vrede twee mooie
krachtplekken rijker en doet het zichzelf eer aan doordat ze aandacht heeft
voor het welbevinden van de bewoners en gasten die het bezoeken.
Een enorme aanwinst!
dinsdag 27 december 2016
Parel in een garage
Het was tijd voor winterbanden.
Twee keer per jaar breng ik de auto naar een kleine garage die wordt gerund door twee mannen, op een bedrijventerrein waar niet veel te wandelen of winkelen is.
Boven in een rokerig kantoortje breng ik dan de tijd door met een boek tot de banden verwisseld zijn.
Deze keer had de eigenaar bezoek. Er werd, zoals meestal het geval is als ik daar ben, over geld gesproken, over de rijkste man ter wereld, over de loterij.
En dan is er zo'n moment waarop je kunt beslissen wat je doet: ga ik lekker in mijn boek lezen of open ik me voor een mogelijk gesprek?
Afsluiten is soms zo makkelijk.
Ik besloot voor contact.
En zei hoe geweldig het zou zijn als die rijkste man ter wereld zou beseffen dat hij misschien wel de sleutel tot oplossing van armoede in zijn hand heeft, want als hij zijn geld zou verdelen onder alle mensen zou er veel kunnen veranderen in de wereld.
Ze keken me wat glazig aan.
Ik vroeg wat zij zouden doen als ze een groot bedrag zouden winnen.
'Reizen', zei de bezoeker meteen.
De eigenaar ging er niet op in en zei dat hij ooit 5000 gulden had gewonnen met een lot. Hij had het cadeau gekregen van een neefje voor zijn verjaardag, en heeft toen het geld met hem gedeeld.
Toen vertelde ik over het 'Death' project in het atrium in het stadhuis in Den Haag, en dat daar een groot bord hangt met de vraag: 'Als je nog een maand te leven hebt, wat zou je dan doen?'
De bezoeker zei dat hij daar nog nooit over had nagedacht, maar dat hij nog heel veel zou reizen, om veel van de wereld te zien.
Toen ik de vraag nog eens stelde aan de eigenaar van de garage, zei hij: "Ik zou precies hetzelfde blijven doen als ik nu doe. Ik heb het goed en ben dankbaar dat ik leef".
Wat een een parel op een druilerige ochtend in een rokerige garage.
Twee keer per jaar breng ik de auto naar een kleine garage die wordt gerund door twee mannen, op een bedrijventerrein waar niet veel te wandelen of winkelen is.
Boven in een rokerig kantoortje breng ik dan de tijd door met een boek tot de banden verwisseld zijn.
Deze keer had de eigenaar bezoek. Er werd, zoals meestal het geval is als ik daar ben, over geld gesproken, over de rijkste man ter wereld, over de loterij.
En dan is er zo'n moment waarop je kunt beslissen wat je doet: ga ik lekker in mijn boek lezen of open ik me voor een mogelijk gesprek?
Afsluiten is soms zo makkelijk.
Ik besloot voor contact.
En zei hoe geweldig het zou zijn als die rijkste man ter wereld zou beseffen dat hij misschien wel de sleutel tot oplossing van armoede in zijn hand heeft, want als hij zijn geld zou verdelen onder alle mensen zou er veel kunnen veranderen in de wereld.
Ze keken me wat glazig aan.
Ik vroeg wat zij zouden doen als ze een groot bedrag zouden winnen.
'Reizen', zei de bezoeker meteen.
De eigenaar ging er niet op in en zei dat hij ooit 5000 gulden had gewonnen met een lot. Hij had het cadeau gekregen van een neefje voor zijn verjaardag, en heeft toen het geld met hem gedeeld.
Toen vertelde ik over het 'Death' project in het atrium in het stadhuis in Den Haag, en dat daar een groot bord hangt met de vraag: 'Als je nog een maand te leven hebt, wat zou je dan doen?'
De bezoeker zei dat hij daar nog nooit over had nagedacht, maar dat hij nog heel veel zou reizen, om veel van de wereld te zien.
Toen ik de vraag nog eens stelde aan de eigenaar van de garage, zei hij: "Ik zou precies hetzelfde blijven doen als ik nu doe. Ik heb het goed en ben dankbaar dat ik leef".
Wat een een parel op een druilerige ochtend in een rokerige garage.
dinsdag 22 november 2016
Ik sterf dus ik ben
De Japanse kunstenaar Yang Zhenzhong heeft aan allerlei mensen gevraagd om de zin 'Ik zal sterven' voor de camera uit te spreken, in hun moedertaal, en was nieuwsgierig naar de uitdrukking op hun gezicht als ze deze zin zouden uitspreken. De mensen maken je bewust van je eigen sterfelijkheid.
Dit is opgepakt door stichting Stroom, een kunstcentrum dat allerlei activiteiten aanbiedt.
Men heeft een Death Café georganiseerd om met elkaar in gesprek te komen over de dood.
Maximaal zes mensen kunnen zich aanmelden voor een bijeenkomst, waar ieder 10 minuten de ruimte krijgt om over de dood te praten, zonder onderbroken te worden. Her lijkt op het concept van de 'Inquiry' waarbij hier echter geen vraag werd gesteld, en nu zes getuigen waren, de gespreksleider meegerekend.
Op mijn verjaardag had Erik vrij en we hebben ons opgegeven met de gedachte iets buiten onze comfortzone te doen. Vrijdagochtend om 11 uur zaten we met een groep onbekenden om een tafel in het Atrium, 'plek waar iedereen aangifte doet van geboorte en overlijden', zo staat het mooi in de folder.
Tien minuten lang over de dood praten lijkt voor de één lang, voor de ander misschien kort; bij de meesten vielen er stiltes, het gevoel: dit is het wel wat ik te zeggen heb, waarna er toch weer andere of diepere gedachten bovenkwamen. Een mooi concept, want omdat je niet meteen bevraagd of onderbroken wordt, kun je meer bij jezelf blijven, je eigen beelden, gedachten, gevoelens.
Wat vond ik het fijn om een keer ongestoord over de dood te kunnen praten. Erover denken of de woorden uitspreken te midden van getuigen, is iets totaal anders. Het geeft wat je zegt meer bodem, hoe sterk gedachtekracht ook is. Je intieme binnenwereld woorden geven maakt dat je jezelf deelt en daarmee de wereld iets geeft van jezelf.
Het werd een mooie ronde, een ontmoeting ook. Nadat iedereen had gesproken gingen we, na een korte pauze, met elkaar in gesprek, voorzichtig. Over en weer werden vragen gesteld, ideeën aangereikt, verduidelijking gegeven, in een sfeer van zachtheid en ja, misschien wel troost.
Ik besef nu en voelde daar dat op zo'n intieme manier praten over de dood iets troostends heeft; uiteindelijk gaan we allemaal deze zee over, op ons eigen moment, angstig, opgelucht, reikhalzend, hoe dan ook, we gaan. En daarin zijn we allemaal gelijk, open voor het ongewisse, elkaar in de geest steunend omdat we mens zijn.
Ik nodig je uit het eens te proberen: zeg hardop: 'ik sterf dus ik ben' , misschien eerst tegen de spiegel, dan aan een ander mens, en vraag een ander dat ook te zeggen.
En kijk dan wat er ontstaat.
Ik vroeg aan man die uitleg gaf over de tentoonstelling of hij de zin zelf al had uitgesproken. Nee, dat had hij niet gedaan. Ik nodigde hem uit, en zie het zelf ook. En de sfeer veranderde tussen ons. Alsof er iets van ons af viel, tussen ons weg viel. En we elkaar kenden.
Dit is opgepakt door stichting Stroom, een kunstcentrum dat allerlei activiteiten aanbiedt.
Men heeft een Death Café georganiseerd om met elkaar in gesprek te komen over de dood.
Maximaal zes mensen kunnen zich aanmelden voor een bijeenkomst, waar ieder 10 minuten de ruimte krijgt om over de dood te praten, zonder onderbroken te worden. Her lijkt op het concept van de 'Inquiry' waarbij hier echter geen vraag werd gesteld, en nu zes getuigen waren, de gespreksleider meegerekend.
Op mijn verjaardag had Erik vrij en we hebben ons opgegeven met de gedachte iets buiten onze comfortzone te doen. Vrijdagochtend om 11 uur zaten we met een groep onbekenden om een tafel in het Atrium, 'plek waar iedereen aangifte doet van geboorte en overlijden', zo staat het mooi in de folder.
Tien minuten lang over de dood praten lijkt voor de één lang, voor de ander misschien kort; bij de meesten vielen er stiltes, het gevoel: dit is het wel wat ik te zeggen heb, waarna er toch weer andere of diepere gedachten bovenkwamen. Een mooi concept, want omdat je niet meteen bevraagd of onderbroken wordt, kun je meer bij jezelf blijven, je eigen beelden, gedachten, gevoelens.
Wat vond ik het fijn om een keer ongestoord over de dood te kunnen praten. Erover denken of de woorden uitspreken te midden van getuigen, is iets totaal anders. Het geeft wat je zegt meer bodem, hoe sterk gedachtekracht ook is. Je intieme binnenwereld woorden geven maakt dat je jezelf deelt en daarmee de wereld iets geeft van jezelf.
Het werd een mooie ronde, een ontmoeting ook. Nadat iedereen had gesproken gingen we, na een korte pauze, met elkaar in gesprek, voorzichtig. Over en weer werden vragen gesteld, ideeën aangereikt, verduidelijking gegeven, in een sfeer van zachtheid en ja, misschien wel troost.
Ik besef nu en voelde daar dat op zo'n intieme manier praten over de dood iets troostends heeft; uiteindelijk gaan we allemaal deze zee over, op ons eigen moment, angstig, opgelucht, reikhalzend, hoe dan ook, we gaan. En daarin zijn we allemaal gelijk, open voor het ongewisse, elkaar in de geest steunend omdat we mens zijn.
Ik nodig je uit het eens te proberen: zeg hardop: 'ik sterf dus ik ben' , misschien eerst tegen de spiegel, dan aan een ander mens, en vraag een ander dat ook te zeggen.
En kijk dan wat er ontstaat.
Ik vroeg aan man die uitleg gaf over de tentoonstelling of hij de zin zelf al had uitgesproken. Nee, dat had hij niet gedaan. Ik nodigde hem uit, en zie het zelf ook. En de sfeer veranderde tussen ons. Alsof er iets van ons af viel, tussen ons weg viel. En we elkaar kenden.
dinsdag 25 oktober 2016
Free fighting
Ruim een week geleden zag ik bij de uitzending van Nieuwsuur een reportage over 'free fighting' of 'hooliganfreefighting: twee groepen supporters van verschillende voetbalclubs die met elkaar afspreken ergens buiten op een afgelegen plek óp het platteland. Wat ze gaan doen is met elkaar vechten, met een minimum aantal regels: gelijk aantal, afgesproken tijd (van 1 tot 5 minuten) en dan mag (bijna) alles, en gaan ze los.
Het deed me denken aan films over vroeger waarin je twee legers elkaar ziet naderen, wapens in de aanslag. Hier waren het dus vuisten in de aanslag. Een eerlijk gevecht kun je zeggen als je het vergelijkt met de onzichtbare manieren van oorlog voeren van tegenwoordig. 'Voetbal is oorlog', wordt hier dus zichtbaar.
Ik vond het naar en beangstigend om te zien, maar dat zal voor iedereen anders zijn.
We kunnen er van alles van vinden, en dat mag, natuurlijk.
Moet je het verbieden?
Moet je het toestaan?
Moet je het toejuichen?
In dezelfde uitzending wordt een hoogleraar klinische psychologie aan het woord gelaten die openlijk zegt dat hij het prima vindt wat er gebeurt omdat de agressie er toch uit moet....
En dat gaat me te ver.
Te ver omdat het een publieke figuur is wiens mening daardoor meer waarde wordt toegedicht.
Te ver omdat deze hoogleraar leiding geeft aan een faculteit waar psychologie wordt gedoceerd, 'leer van de ziel', wetenschap die het (individuele) menselijk denken en gedrag bestudeert. En vervolgens gaan deze studenten mensen in de maatschappij helpen die zijn vastgelopen.
Te ver omdat allang bekend is dat wat je voedt, groeit. Dus voedt je je agressie, dan wordt je agressiever, en de volgende keer doe je er nog een schepje bovenop. Ik bedenk me hoe het is als ze die avond weer thuis komen, hoe ze hun vriendin, hun familie bejegenen, en vrees het ergste.
Wat dan?
Natuurlijk heb ik het antwoord niet.
Maar ik mis iets, en dat lijkt steeds structureler te worden.
Hoe kan ik dat het beste verwoorden?
Is het dat ik schrik van de onverschillige toon van deze hoogleraar?
Is het gevoel dat ik mis? Afschuw, medelijden, compassie?
Laat ik helder zijn, ik vind het zelf heel lastig om compassie te voelen voor mensen die elkaar moedwillig afrossen. Toch meen ik dat achter ieder ongewenst gedrag een verlangen zit, naar erkenning, gezien worden, erbij willen horen, en uiteindelijk een verlangen naar liefde.
Michelle Obama sprak in haar geweldige speech over rol modellen die we nodig hebben. Rolmodellen die ons bij ons verlangen oproepen het beste van onszelf te willen leven.
In haar speech ging het over de manier waarop vrouwen bejegend worden, maar het is breder: hoe wil je met je (onbekende) medemens omgaan, ook als hij of zij heel anders denkt dan jij, op een andere politieke partij stemt, supporter is van een andere voetbalclub, een andere religie aanhangt?
Wat ik mis is de zorg, de zorg van mannen die zich vader van alle jongeren voelen, wie het aan het hart gaat dat jongens elkaar moedwillig afrossen, een vreemde stompen in het gezicht, schoppen waar ze kunnen. Wat ik mis is de bereidheid dit gedrag te willen kanaliseren en manieren te vinden waarin frustratie en agressie geuit kunnen worden op een meer constructieve wijze.
Mannen die zich mentor (willen) voelen van onze jongeren.
Is dat mogelijk?
Ik hoop het met heel mijn hart.
Hoe?
Het begint met een keuze: je niet willen afwenden van wat er gebeurt, maar je medeverantwoordelijk voelen voor wat er om je heen gebeurt.
En vanuit die houding jouw bijdrage leveren, op wat voor manier dan ook, met vallen en opstaan.
Als we maar uit de onverschilligheid blijven.
Het deed me denken aan films over vroeger waarin je twee legers elkaar ziet naderen, wapens in de aanslag. Hier waren het dus vuisten in de aanslag. Een eerlijk gevecht kun je zeggen als je het vergelijkt met de onzichtbare manieren van oorlog voeren van tegenwoordig. 'Voetbal is oorlog', wordt hier dus zichtbaar.
Ik vond het naar en beangstigend om te zien, maar dat zal voor iedereen anders zijn.
We kunnen er van alles van vinden, en dat mag, natuurlijk.
Moet je het verbieden?
Moet je het toestaan?
Moet je het toejuichen?
In dezelfde uitzending wordt een hoogleraar klinische psychologie aan het woord gelaten die openlijk zegt dat hij het prima vindt wat er gebeurt omdat de agressie er toch uit moet....
En dat gaat me te ver.
Te ver omdat het een publieke figuur is wiens mening daardoor meer waarde wordt toegedicht.
Te ver omdat deze hoogleraar leiding geeft aan een faculteit waar psychologie wordt gedoceerd, 'leer van de ziel', wetenschap die het (individuele) menselijk denken en gedrag bestudeert. En vervolgens gaan deze studenten mensen in de maatschappij helpen die zijn vastgelopen.
Te ver omdat allang bekend is dat wat je voedt, groeit. Dus voedt je je agressie, dan wordt je agressiever, en de volgende keer doe je er nog een schepje bovenop. Ik bedenk me hoe het is als ze die avond weer thuis komen, hoe ze hun vriendin, hun familie bejegenen, en vrees het ergste.
Wat dan?
Natuurlijk heb ik het antwoord niet.
Maar ik mis iets, en dat lijkt steeds structureler te worden.
Hoe kan ik dat het beste verwoorden?
Is het dat ik schrik van de onverschillige toon van deze hoogleraar?
Is het gevoel dat ik mis? Afschuw, medelijden, compassie?
Laat ik helder zijn, ik vind het zelf heel lastig om compassie te voelen voor mensen die elkaar moedwillig afrossen. Toch meen ik dat achter ieder ongewenst gedrag een verlangen zit, naar erkenning, gezien worden, erbij willen horen, en uiteindelijk een verlangen naar liefde.
Michelle Obama sprak in haar geweldige speech over rol modellen die we nodig hebben. Rolmodellen die ons bij ons verlangen oproepen het beste van onszelf te willen leven.
In haar speech ging het over de manier waarop vrouwen bejegend worden, maar het is breder: hoe wil je met je (onbekende) medemens omgaan, ook als hij of zij heel anders denkt dan jij, op een andere politieke partij stemt, supporter is van een andere voetbalclub, een andere religie aanhangt?
Wat ik mis is de zorg, de zorg van mannen die zich vader van alle jongeren voelen, wie het aan het hart gaat dat jongens elkaar moedwillig afrossen, een vreemde stompen in het gezicht, schoppen waar ze kunnen. Wat ik mis is de bereidheid dit gedrag te willen kanaliseren en manieren te vinden waarin frustratie en agressie geuit kunnen worden op een meer constructieve wijze.
Mannen die zich mentor (willen) voelen van onze jongeren.
Is dat mogelijk?
Ik hoop het met heel mijn hart.
Hoe?
Het begint met een keuze: je niet willen afwenden van wat er gebeurt, maar je medeverantwoordelijk voelen voor wat er om je heen gebeurt.
En vanuit die houding jouw bijdrage leveren, op wat voor manier dan ook, met vallen en opstaan.
Als we maar uit de onverschilligheid blijven.
Abonneren op:
Posts (Atom)